Tijdens de after worksessie van 24 februari gaf professor André Decoster toelichting bij het boek De paradox van ongelijkheid in België uit 2024. Deze publicatie is gebaseerd op een vierjarig onderzoek door teams van KU Leuven, Universiteit Antwerpen en ULB. Hieronder een kort verslag, best te lezen in combinatie met de slides hieronder.
De onderzoeksvraag
Volgens internationale studies is de ongelijkheid in ons land laag, en nam die in de voorbije 10 jaar af. Toch ervaren de man en de vrouw in de straat dit heel anders. Hoe kunnen we deze paradox verklaren? Dat was de onderzoeksvraag voor de studie en het boek. Decoster licht 3 pistes toe met mogelijke verklaringen.
Piste 1
Een eerste piste (slide 10 en volgende) is dat de manier waarop we meten, niet weergeeft hoe we over ongelijkheid denken. Zo gebruiken (bijna) alle onderzoeken een relatieve maatstaf om ongelijkheid te meten en geen absolute. Maar misschien denken we meer in absolute termen?
Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Wanneer iedereen 6% extra krijgt, dan wint iemand met een startinkomen van 1.000 euro 60 euro, terwijl iemand met een startinkomen van 6.000 euro 360 euro extra kan noteren. Volgens een relatieve maatstaf blijft de ongelijkheid dezelfde, maar de afstand tussen beide inkomens groeit in absolute cijfers van 5.000 naar 5.300 euro.
We kunnen dit ook toepassen op de Gini-index, de meest gebruikte manier om ongelijkheid binnen de bevolking te meten. Slide 16 toont voor ons land het verschil tussen een relatieve (= gewone) Gini, en een Gini op basis van absolute cijfers. Terwijl de gewone Gini aangeeft dat de ongelijkheid tussen 2003 en 2022 daalde, toont een absolute Gini een spectaculaire stijging.
Piste 2
Een tweede piste (slide 17 en volgende) is dat de gegevens die we gebruiken in onderzoeken verkeerd of onvolledig zijn. Traditionele inkomensstudies (zoals EU-SILC) zijn gebaseerd op rapportages over het beschikbaar inkomen van huishoudens die (willen) deelnemen aan een enquête. Dit geeft een goed beeld van de arbeidsinkomens, terwijl het grootste deel van het inkomen uit vermogen ontbreekt. Een belangrijke vertekening, want net de ingehouden winsten en dividenden kenden een enorme toename in de laatste 15 jaar. De DINA-methode zorgt voor een (gedeeltelijke) correctie van dit beeld. Op basis van DINA blijkt de positie van België plots minder uitzonderlijk dan in andere studies, én kan je vanaf 2013 een stijging van de ongelijkheid waarnemen. Toch blijven ook die ongelijkheidscijfers laag ten opzichte van de Angelsaksische wereld.
Piste 3
Een derde piste (slide 36 en volgende) stelt dat mensen bij ongelijkheid niet (alleen) denken aan inkomen, maar bijvoorbeeld ook aan wonen, toegang tot publieke voorzieningen, koopkracht, gezondheid en vermogen, of dat men zich baseert op de verschillen tussen generaties. Decoster focuste in zijn lezing op de impact van inflatie en op de ongelijkheid tussen generaties.
In verband met koopkracht/inflatie is er geen eenduidig verband en speelt uiteraard de milderende factor van de index. De effecten lijken vooral periodegebonden en hangen samen met voor welke producten de prijzen wijzigen. Zo steeg in 2021 en 2022 de ongelijkheid naar aanleiding van de hogere energieprijzen. In andere jaren was het effect veel kleiner en was er soms zelfs een daling.
Wanneer we kijken naar het inkomen van generaties, dan is de voorbije 20 jaar de situatie van 50-64 jarigen het meest verbeterd, en de situatie van 20-29 jarigen relatief verslechterd. Voor huiseigenaarschap zien we – in tegenstelling tot wat vaak beweerd en aangevoeld wordt – die trend niet. Wanneer we werken met cohortes (vergelijking doorheen de levensloop op basis van het geboortejaar), dan zijn jongere generaties er qua inkomen op een gegeven leeftijd altijd beter aan toe dan oudere generaties, terwijl er qua woningbezit geen verschil is. Ook hier stellen we weer een verschil vast met de VS en de UK waar huiseigenaarschap bij jongere generaties een duik nam.
Vragen uit het publiek
Na de uiteenzetting van professor Decoster volgen vragen en antwoorden. Hierin wordt o.a. gewezen op het belang van de zwarte economie, en op de onderwaardering van onroerend goed. Wanneer beide elementen in rekening gebracht zouden worden, is de ongelijkheid wellicht hoger dan in de officiële cijfers.